Toetsingscriteria van de P.C.L.

Criteria voor het afgeven van een beschikking of een zorgcontract binnen het samenwerkingsverband Vught e.o.

Opbouw van de indicatiecriteria
Bij de bepaling van de toelaatbaarheid tot het speciale basisonderwijs spelen drie aspecten een cruciale rol;
a. De stoornissen en/of de beperkingen van de aangemelde leerling: de leerling is alleen toelaatbaar als de aard en de ernst van zijn stoornissen en/of beperkingen binnen de criteria vallen.
b. De beperking van de onderwijsdeelname: de leerling is alleen toelaatbaar als de problematiek zo ernstig is dat hij/zij niet meer in het reguliere onderwijs opgevangen kan worden zonder extra ondersteuning.
c. De mogelijkheid van adequate zorg vanuit de zorgstructuur van het reguliere onderwijs: de leerling is alleen toelaatbaar als voldoende wordt onderbouwd dat de mogelijkheden van het reguliere onderwijs zijn uitgeput.

Binnen deze redenering gaat de PCL uit van drie algemene leerlingenprofielen waarbinnen criteria zijn ontwikkeld; als leerlingen voldoen aan de geformuleerde criteria dan komen zij in aanmerking voor een positieve beslissing van de PCL om onderwijs te volgen aan de SBO-school in het samenwerkingsverband Vught e.o.

  1. Leerlingen met een algehele ontwikkelingsachterstand
  2. Leerlingen met sociaal-emotionele problematiek en ernstige onderwijsachterstanden
  3. Leerlingen met een disharmonisch ontwikkelingsprofiel

Naast deze criteria maakt de PCL gebruik van zogenaamde ondersteunende argumenten. Hierbij spelen omgevingskenmerken een rol die de problemen in stand houden of versterken.

1. Leerlingen met een algehele ontwikkelingsachterstand

De toetsingscriteria

  • Leerlingen met een totale intelligentie binnen de bandbreedte 60 en 70 en een aantoonbaar leerrendement van minimaal 25 en maximaal 50 % (De leerachterstand komt tot uiting in minstens twee elementaire schoolse vaardigheden).

Of

  • Jonge risico leerlingen met een intelligentie tussen de 55 en 60 én een goede sociale weerbaarheid vallen binnen de overlegruimte van de PCL. Een leerling moet kunnen functioneren binnen een schoolse situatie.
    Een voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van bijkomende gediagnosticeerde stoornissen.

 

2. Leerlingen met sociaal-emotionele problematiek, ernstige onderwijsachterstanden of taalontwikkelingsachterstanden

De toetsingscriteria

  • Leerlingen met een totale intelligentie > 70 die, afhankelijk van de cognitieve mogelijkheden, voor maximaal 75% van het onderwijsaanbod profiteren door aanwezigheid van gediagnosticeerde gedragsstoornissen en /of psychiatrische problemen. De ernst van de problematiek is bepalend voor het wel of niet indiceren.

of

  • Jonge risico leerlingen met een totale intelligentie >70 waarvoor een langer durende observatie binnen het sbo nodig is om de aard van de geconstateerde leerbelemmeringen vast te stellen: de zogenaamde verlengde diagnostiek.

of

  • Leerlingen met een totale intelligentie > 70, een leerrendement van maximaal 75 % en sprake van ernstige werkhoudingsproblemen zoals:
    • weinig zelfstandig,
    • grote afleidbaarheid,
    • korte aandachtsspanne,
    • weinig kritisch taakaanpak,
    • motivationele problemen,
    • geringe zelfredzaamheid

en/of

  • Sociaal-emotionele problemen door gevoelens van tekort schieten, die zich uiten in een negatief zelfbeeld en negatieve succeservaringen ten aanzien van het leren en het omgaan met anderen

Voor leerlingen met een gediagnosticeerde stoornis die primair aangewezen lijken te zijn op een schoolse onderwijsomgeving en waarbij de therapeutische setting te specifiek lijkt te zijn, wordt het criterium leerrendement ruim geïnterpreteerd.

 

 

3. Leerlingen met een disharmonisch ontwikkelingsprofiel

  • Leerlingen met een specifieke leerstoornis met bijkomende sociaal-emotionele problematiek.

Ondersteunende argumenten
De PCL kan deze argumenten laten meewegen in haar beslissing:

  • Ten aanzien van de gezinsomstandigheden: problematische opvoedingssituatie, onverklaarbaar schoolverzuim, verstoorde relatie ouders-school, traject basisonderwijs wordt door ouders beargumenteerd als onhaalbaar beschouwd.
  • Medisch: aandoeningen als epilepsie, bronchitis, kno-problematiek, achterstand in de grove en/of fijne motoriek, problematische visueel-ruimtelijke ontwikkeling, groeistoornissen en dergelijke.

Toelichting op de criteria
Bovenstaande criteria zijn van toepassing op de volgende drie leerlingenkenmerken:
a. De intelligentie
b. De leerontwikkeling
c. Sociaal-emotionele problematiek
Naast deze leerlingenkenmerken heeft de PCL zogenaamde ondersteunende argumenten geformuleerd die problemen kunnen versterken en/of in stand houden. Zij kunnen een rol spelen bij de besluitvorming. Voor uitwerking van de criteria zie bijlage 1.

Elk van deze leerlingenkenmerken zullen afzonderlijk beschreven worden. Hierbij heeft de permanente commissie leerlingenzorg een relatieve afbakening met betrekking tot cluster 3 en 4 nagestreefd. De PCL heeft met betrekking tot deze twee clusters een relatief heldere afbakening nodig ter bescherming van de leerling.
Bij cluster 1 en 2 ligt dit anders omdat hier eerder lichamelijke beperkingen een rol spelen dan dat er belemmeringen zijn in de ontwikkeling op cognitief- en sociaal-emotioneel gebied.

De afbakening tussen SBO en voorschoolse voorzieningen zoals MKD en KDC is afhankelijk van de mate waarin de leerling toe is aan en profijt heeft van het aanbod binnen een schoolse setting.

Het beleid om te bepalen in hoeverre aan een leerling die een indicatiestelling heeft voor een school uit de clusters 1, 2, 3 en 4 een beschikking verleend kan worden voor het SBO is nog in ontwikkeling. Op dit moment volgt de PCL de benadering dat de criteria leerling gebonden financiering een contra-indicatie vormen voor een beschikking SBO. Concreet betekent dit als er een indicatie afgegeven is voor een van de clusters de PCL per definitie een negatieve beschikking afgeeft (dus ook geen tijdelijke) en dat het SBO niet toegankelijk is vanwege een negatieve beschikking.


Dossieranalyse en beoordeling
Ten aanzien van de dossieranalyse en beoordeling stelt de PCL zichzelf 5 vragen:
a. Is er voldoende informatie beschikbaar om verantwoord een besluit te nemen?
b. Vallen de aard en de ernst van de problemen binnen de geldende criteria?
c. Is de ernst van de problematiek zo groot dat de leerling geen onderwijs meer kan volgen in het reguliere onderwijs?
d. Heeft de school van herkomst alles gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag om de leerling zo optimaal mogelijk te begeleiden?
e. Kan de leerling voldoende begeleid worden binnen het SBO
f. Worden bovenstaande vragen alle vijf positief beantwoord?

De PCL besluit op basis van door anderen verstrekte (diagnostische) informatie. Voorop
staat dat het gaat om een transparante en zo objectief mogelijke analyse en beoordeling waarbij de diagnostische oordeelsvorming inzichtelijk is voor iedere andere PCL. Met
betrekking tot de aard van deze informatie gelden de volgende richtlijnen.
Iedere aanmelding dient vergezeld te gaan van:
a. Een volledig ingevuld aanmeldingsformulier
b. Een volledig ingevuld onderwijskundig rapport
c. Verslag van een psychologisch onderzoek (zie voor actualiteit elders in deze notitie)
d. Alle overige documenten die de aanvraag kunnen ondersteunen:
a. Beschrijving van verrichte interventies (zoals handelingsplannen)
b. Onderzoeksverslagen van logopediste, remedial teacher, fysiotherapeut, kinderarts e.d.
c. Relevante, recente, didactische informatie: niet ouder dan ½ jaar.

Ten slotte
De criteria zijn nevenschikkend. Geen van de criteria zijn op zichzelf doorslaggevend maar worden in samenhang getoetst. Een zekere mate van ontwikkelingsachterstand is in alle gevallen een voorwaarde voor een indicatie SBO. In alle gevallen gaat het erom de ontwikkelingsachterstand op grond van de cognitieve mogelijkheden en het sociaal-emotionele functioneren te kunnen duiden.

Bijlage 1
Uitwerking van de criteria zoals deze van toepassing zijn op de eerder genoemde leerlingenkenmerken; intelligentie (a), leerontwikkeling (b) en sociaal-emotionele problematiek (c).

a. Intelligentie:
De intelligentie dient gemeten te worden met een gestandaardiseerde, voor Nederland genormeerde test, afgenomen onder verantwoordelijkheid van een deskundige:

  • en voor kinderen < 7 jaar niet ouder dan 1 jaar
  • vanaf 8 jaar niet ouder dan 2 jaar.

De relatieve afbakening met cluster 3 bestaat uit het voorlopig advies van TCAI (september 2001) om onderscheid te maken tussen intelligentieniveaus lager dan 60 enerzijds en niveaus die liggen tussen 60 en 70 anderzijds. Er is in de bandbreedte 50-69 sprake van een lichtverstandelijke beperking. De indicatie voor cluster 3 wordt omschreven als een score op een intelligentietest lager dan 60 maar hoger dan 34.

De relatieve afbakening wat betreft de intelligentie met cluster 4 hoeft niet te gelden omdat deze als zodanig niet staat aangegeven.

b. De leerontwikkeling
Het criterium leerontwikkeling in het primair onderwijs wordt als volgt gedefinieerd:
Het vorderen van de leerling in het didactische ontwikkelingsproces is zo traag dat er sprake is van een leerrendement van minimaal 25% en maximaal 75% ten opzichte van didactische leeftijdgenoten in tenminste twee van de volgende leerstofdomeinen: technisch lezen en/of spelling, begrijpend lezen, rekenen.

Het gaat hier om de ontwikkeling van de leerling in het voorbereidende en/of aanvankelijk leerproces én om de ontwikkeling binnen de vier domeinen van het voortgezette leerproces.
Deze worden zichtbaar gemaakt in schooltoetsen. Vaak worden de ruwe scores weergegeven, gekoppeld aan percentages van de betreffende groep. Leerlingen die laag scoren kunnen opgespoord worden. De indeling in A-, B-, C-, D- en E-niveau kan daarmee opgespoord worden. De PCL adviseert om door te toetsen tot een leerling behoort tot de + 25 % net onder het landelijk gemiddelde scorende leerlingen (= de toets waarop de leerling niveau C behaalt en het zogenaamde instructieniveau).

Als basisscholen de relatieve leerachterstanden uitdrukken in een verhouding ‘didactische’ leeftijd (DL)en het niveau van leerstofbeheersing, bekend onder de naam ‘didactisch leeftijdsequivalent’ (DLE) zal de PCL hierbij aansluiten. De PCL volgt hiermee het advies van de centrale commissie indicatiestelling, die het gebruik van DLE-scores niet wenselijk acht omdat de betrouwbaarheid ongewis is. In het samenwerkingsverband Vught e.o. blijkt dat het merendeel van de scholen het CITO-leerlingenvolgsysteem hanteert.

Het DLE geeft aan na hoeveel maanden onderwijs een gemiddelde leerling een bepaalde prestatie levert. De DLE is een omzetting van de op dat moment behaalde toetsscore conform de omzettingstabellen in het DLE-Boek (meest recente uitgave: Swets & Zeitlinger, 2001).
Door het didactische leeftijdsequivalent te delen door de didactische leeftijd kan het leerrendement berekend worden.

De relatieve afbakening voor het jonge risico kind is gelegen in de ernstige achterstanden die geconstateerd kunnen worden op de verschillende functiegebieden en leervoorwaarden; zoals taalachterstanden, motoriek, visuele waarneming en/of reken-/leesvoorwaarden e.d.

De relatieve afbakening met cluster 3 is gelegen in het feit dat onderwijsbeperking wordt omschreven als een cognitieve leerachterstand die gerelateerd wordt aan de intelligentie en waarbij de leerling moet behoren tot de 10% zwakst scorende leerlingen met een ernstige leerachterstand op twee van de vier domeinen technisch lezen en/of spelling, begrijpend lezen en rekenen, gemeten ten opzicht van didactische leeftijdsgenoten, waarbij het leerrendement maximaal 25 % kan zijn (pag. 55, Indicatiestelling, Resing e.a.)

De relatieve afbakening wat betreft de leerontwikkeling met cluster 4 hoeft niet te gelden omdat deze als zodanig niet staat aangegeven. Er is slechts sprake van ontbrekende leervoorwaarden in een gangbare onderwijssetting en het kind vormt een bedreiging voor zichzelf en/of anderen.
Bij jonge risico leerlingen ( + 4 jaar) adviseert men ‘verlengde diagnostiek’ te realiseren binnen het SBO, dit betekent dat de indicatiestelling ongeveer een jaar wordt opgeschort (pag.67, Indicatiestelling, Resing e.a.)

c. Sociaal-emotionele ontwikkeling
Het gaat om sociaal-emotionele problematiek die
de leerling substantieel belemmert in zijn of haar deelname aan het leerproces.
Het gaat daarbij om:

  • Faalangst
  • Prestatie-motivatie
  • ‘Emotionele instabiliteit’

Onder emotionele instabiliteit wordt in dit verband bedoeld wisselende stemmingen zonder dat daar in verklarende zin een stoornis aan ten grondslag ligt.

Of er in substantiële zin sprake is van sociaal-emotionele problematiek wordt vastgesteld door middel van persoonlijkheidsonderzoek; dit wordt verricht door een deskundige aan de hand van gangbare en als betrouwbaar beoordeelde screenings-c.q. diagnostische instrumenten

De afbakening met cluster 3 is gelegen in een zeer geringe sociale redzaamheid naast een betrouwbare IQ-score tussen 60 en 70. Daarnaast is ook de lichtverstandelijke beperking én co-morbiditeit (=een combinatie met een andere classificeerbaere stoornis) een reden tot begrenzing.

De afbakening met cluster 4 richt zich op de gediagnosticeerde gedragsproblematiek: als bij een ernstige integrale sociaal-emotionele - en/of gedragsproblematiek gerichte hulp gerealiseerd wordt zonder noemenswaardige effecten is ook dit reden tot begrenzing.